CAO 89

COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST NR. 89 VAN 30 JANUARI 2007 BETREF-
FENDE DE DIEFSTALPREVENTIE EN DE UITGANGSCONTROLES VAN WERKNEMERS BIJ HET VERLATEN VAN DE ONDERNEMING OF DE WERKPLAATS


VERSLAG

- Het is een wijdverspreide praktijk in de ondernemingen dat uitgangscontroles georganiseerd worden met het oog op de preventie en de vaststelling van diefstal. De procedures hieromtrent komen meestal tot stand in overleg tussen de sociale partners.

- De in de Nationale Arbeidsraad vertegenwoordigde werknemers- en werkgeversorganisaties hebben het nuttig geacht een collectieve arbeidsovereenkomst te sluiten om, enerzijds, de bestaande rechtsnormen met betrek- king tot uitgangscontroles die gericht zijn op het voorkomen of vaststellen van de ontvreemding van goederen in de onderneming of op de werkplaats te verduidelijken en te concretiseren in hun toepasselijkheid op werk- nemers, en, anderzijds, deze uitgangscontroles en de regels die erop van toepassing zijn te kaderen binnen het diefstalpreventiebeleid van een onderneming.

- Wat dit laatste betreft, zijn de in de Nationale Arbeidsraad vertegenwoordigde werknemers- en werkgeversor- ganisaties van mening dat het in het belang van werkgevers, werknemers en derden is dat elke onderneming een efficiënt diefstalpreventiebeleid uitwerkt.

Om een diefstalpreventiebeleid te voeren, is het nodig dat de werkgever de diefstalrisico’s opspoort, deze eva- lueert en de passende maatregelen neemt om deze te voorkomen of te verhelpen.

De in de Nationale Arbeidsraad vertegenwoordigde werknemers- en werkgeversorganisaties zijn van oordeel dat de regel moet in acht genomen worden dat in het kader van uitgangscontroles eerst die controlemaatrege- len worden genomen die het minst het recht van elk individu op de eerbiediging van zijn persoonlijke levens- sfeer schaden, vooraleer wordt overgegaan tot andere controlemaatregelen.

Zij menen dat het van groot belang is om bij de uitwerking van het diefstalpreventiebeleid een sfeer van on- derling vertrouwen in de onderneming te behouden. Daarom achten zij het aan te raden bij de hele aanpak de spelregels van het sociaal overleg te respecteren.

- Wat meer in het bijzonder de regels inzake uitgangscontroles betreft, bevestigen de in de Nationale Arbeids- raad vertegenwoordigde werknemers- en werkgeversorganisaties in hun collectieve arbeidsovereenkomst de beginselen van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid.

De wet stelt de algemene voorwaarden vast waaronder uitgangscontroles kunnen gebeuren.

Het doel van de collectieve arbeidsovereenkomst is ervoor te zorgen dat de uitgangscontroles van werknemers gebeuren op een wijze verenigbaar met de basisnormen die het recht voor elk individu op de eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer waarborgen.

c.a.o. 89/1. 30.01.2007

Daarom vereist de collectieve arbeidsovereenkomst het respect van een finaliteits-, een proportionaliteits- en een transparantiebeginsel. De beginselen van de wet van 10 april 1990 worden op deze wijze verder geconcre- tiseerd.

De collectieve arbeidsovereenkomst heeft echter enkel betrekking op de uitgangscontroles zoals gedefinieerd door haar artikel 2.

- Wat het transparantiebeginsel betreft, voorziet de overeenkomst in de procedures die de werkgever moet in acht nemen met betrekking tot de voorlichting van de werknemers.

Zo moet de werkgever voorafgaandelijk en bij het opstarten van de controles de werknemers op collectieve wijze informatie verschaffen over alle aspecten ervan. Op dit vlak wordt de nadruk gelegd op de CAO- bepalingen die op het gebied van de voorlichting van werknemers van kracht zijn, met een expliciete verwij- zing naar de procedures vastgesteld in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 9 van 9 maart 1972 houdende ordening van de in de Nationale Arbeidsraad gesloten nationale akkoorden en collectieve arbeidsovereenkom- sten betreffende de ondernemingsraden.

- In deze context werd ervoor geopteerd om, waar dit voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer noodzakelijk geacht werd, in een aantal bijkomende waarborgen inzake de toestemming met de uitgangscon- troles te voorzien, die volledig kaderen in de door de sociale verhoudingen gekenmerkte en algemeen aan- vaarde procedures.

Op deze wijze worden alle aspecten van de uitgangscontroles van werknemers die plaatsvinden wanneer zij de onderneming of werkplaats verlaten en die uitsluitend gericht zijn op het voorkomen of vaststellen van de ontvreemding van goederen in de onderneming of op de werkplaats, in een coherent geheel van specifieke re- gels gevat dat beantwoordt aan de eigen kenmerken van de sociale verhoudingen.


c.a.o. 89/2. 30.01.2007

COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST NR. 89 VAN 30 JANUARI 2007

BETREFFENDE DE DIEFSTALPREVENTIE EN DE UITGANGS-

CONTROLES VAN WERKNEMERS BIJ HET VERLATEN

VAN DE ONDERNEMING OF DE WERKPLAATS


Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

Gelet op de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid;

Gelet op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, dat voorziet in het beginsel dat eenieder recht heeft op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwis- seling;

Gelet op artikel 22 van de Grondwet dat bepaalt dat “ieder recht heeft op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald”;

Overwegende dat de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen voorziet in een aantal speci- fieke informatie-en consultatieprocedures inzake de wijziging van het arbeidsreglement;

Overwegende dat de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 5 van 24 mei 1971 betreffende het statuut van de syn- dicale afvaardigingen van het personeel der ondernemingen de essentiële beginselen vaststelt inzake bevoegd- heid en werking van de vakbondsafvaardigingen en meer in het bijzonder het recht een werknemer bij te staan bij de indiening van een individuele klacht bij de hiërarchisch oversten (artikel 13 van de collectieve arbeids- overeenkomst) ;

Overwegende dat de CAO nr. 9 van 9 maart 1972 houdende ordening van de in de Nationale Arbeidsraad geslo- ten nationale akkoorden en collectieve arbeidsovereenkomsten betreffende de ondernemingsraden op algemene wijze de rol van de ondernemingsraad regelt;

Overwegende dat de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid de vergunning en erkenning van bewakingsondernemingen en interne bewakingsdiensten regelt en de uitoefeningsvoorwaarden voor hun activiteiten bepaalt;

Overwegende dat, onverminderd de toepassing van deze bepalingen, een aantal specifieke garanties moeten worden ingebouwd wat betreft de uitgangscontroles van werknemers die plaatsvinden wanneer zij de onderne- ming of werkplaats verlaten en die gericht zijn op het voorkomen of vaststellen van de ontvreemding van goede- ren in de onderneming of op de werkplaats met het oog op de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer;

Overwegende dat de ondertekenende partijen van oordeel zijn dat de materie van de uitgangscontroles van werk- nemers bij het verlaten van een onderneming of werkplaats tot de autonomie van de sociale gesprekpartners behoort;

Overwegende dat die materie dan ook bij collectieve arbeidsovereenkomst moet worden geregeld;

c.a.o. 89/3. 30.01.2007

Hebben de navolgende interprofessionele organisaties van werkgevers en werknemers …

op 30 januari 2007 in de Nationale Arbeidsraad de volgende collectieve arbeidsovereenkomst gesloten.

HOOFDSTUK I : DRAAGWIJDTE

Artikel 1

Deze collectieve arbeidsovereenkomst heeft tot doel de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de werknemers in de onderneming en de bescherming van hun waardigheid en de vrijwaring van het fundamenteel recht hierop, door, rekening houdend met de behoeften van een goede werking van de onderneming en de nood aan bescherming tegen diefstal, de voorwaarden te bepalen waaronder uitgangscontroles kunnen plaatsvinden.

Commentaar

De onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst schrijft zich in in de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid voor wat de uitgangscontroles betreft die onder het toepassingsgebied van de wet ressorteren en waarborgt de toepassing ervan.

Het doel van de collectieve arbeidsovereenkomst is ervoor te zorgen dat deze uitgangscontroles gebeuren op een wijze verenigbaar met de basisnormen die het recht voor elk individu op de eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer waarborgen.

Daarom vereist de collectieve arbeidsovereenkomst het respect van het finaliteits-, het proportionaliteits- en het transparantiebeginsel. Deze principes bevatten waarborgen die essentieel kunnen geacht worden voor de be- scherming van de persoonlijke levenssfeer.

De beginselen van de wet van 10 april 1990 worden op deze wijze verder geconcretiseerd naar de arbeidsplaats toe.

Wat het transparantiebeginsel betreft, wil deze collectieve arbeidsovereenkomst rekening houden met de wette- lijke en conventionele bepalingen inzake de informatie en consultatie van de werknemersvertegenwoordigers.

In deze context werd ervoor geopteerd om, waar dit voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer noodzakelijk geacht werd, in een aantal bijkomende waarborgen inzake de toestemming met de uitgangscontro- les te voorzien, die volledig kaderen in de door de sociale verhoudingen gekenmerkte en algemeen aanvaarde procedures.

Zo bepaalt de collectieve arbeidsovereenkomst dat een uitgangscontrole door een bewakingagent op basis van het feit dat er redelijke gronden zijn om te denken dat de werknemer goederen heeft ontvreemd enkel kan wor- den uitgevoerd indien de betrokken werknemer hiervoor zijn toestemming geeft.

De toestemming van de werknemers betrokken bij steekproefsgewijze uitgangscontroles ter voorkoming van diefstal moet blijken uit het opnemen in het verslag van de ondernemingsraad of het verslag van het comité voor preventie en bescherming op het werk dat de informatieverplichting beschreven in artikel 7 te goeder trouw werd nageleefd en dat daarover een gedachtewisseling heeft plaats gehad.

c.a.o. 89/4. 30.01.2007

In ondernemingen waar er geen ondernemingsraad of comité voor preventie en bescherming op het werk aanwe- zig is, blijkt de toestemming van de werknemers uit de opname in het arbeidsreglement van het recht voor de werkgever om zo’n controles te laten uitvoeren, in overeenstemming met artikel 12 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen.

Het recht van de werkgever om steekproefsgewijze controles te laten uitvoeren kan bij ontstentenis van onder- nemingsraad of comité voor preventie en bescherming op het werk ook blijken uit een op ondernemingsniveau afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst.

HOOFDSTUK II : DEFINITIE

Artikel 2

Voor de toepassing van deze collectieve arbeidsovereenkomst dient onder uitgangscontroles te worden verstaan controles van werknemers, die plaatsvinden wanneer zij de onderneming of werkplaats verlaten en die uitslui- tend gericht zijn op het voorkomen of vaststellen van de ontvreemding van goederen in de onderneming of op de werkplaats.

HOOFDSTUK III : TOEPASSINGSMODALITEITEN

Artikel 3

Uitgangscontroles zijn enkel toegelaten voor zover voldaan is aan de voorwaarden zoals bepaald in de artikelen
4 tot 9.

Afdeling I - Finaliteits- en proportionaliteitsprincipe

1. Finaliteit

Artikel 4

Uitgangscontroles zijn enkel toegelaten indien zij gericht zijn op het voorkomen of vaststellen van de ont- vreemding van goederen in de onderneming of op de werkplaats.

Zij hebben niet tot doel de arbeidsprestaties van de werknemers te meten of de aanwezigheden van de werk- nemers te controleren.

Commentaar

Het is de bedoeling van de collectieve arbeidsovereenkomst om de toepassingsmodaliteiten van uitgangscon- troles van werknemers duidelijk te omschrijven zodat zowel de werkgever, de werknemer als derden door de toepassing ervan kunnen beschermd worden tegen diefstal van goederen die zich in de onderneming of op de werkplaats bevinden.

c.a.o. 89/5. 30.01.2007

2. Proportionaliteit

Artikel 5

De werkgever mag de uitgangscontroles niet aanwenden op een wijze die onverenigbaar is met het uitdruk- kelijk omschreven doeleinde.

De uitgangscontroles dienen, uitgaande van dit doeleinde, toereikend, ter zake dienend en niet overmatig te zijn.

In het bijzonder moet eerst de controlemaatregel worden genomen die het minst het recht van elk individu op de eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer schaadt.

Commentaar

Op die manier wordt de werkgever ertoe aangespoord voorrang te geven aan maatregelen ter voorkoming van diefstal in de onderneming door de maatregelen in te voeren die het minst inwerken op de persoonlijke levenssfeer van de werknemers.

Afdeling II - De omstandigheden waarin en de wijze waarop uitgangscontroles kunnen gebeuren

Artikel 6

§ 1. Systematische uitgangscontroles zijn alleen mogelijk indien zij gebeuren door middel van elektronische en/of technische detectiesystemen.

§ 2. Uitgangscontroles uitgevoerd door personen mogen uitsluitend uitgevoerd worden door personen die bewakingsactiviteiten uitoefenen in de zin van de wet van 10 april 1990, hierna bewakingsagenten ge- noemd.

§ 3. Uitgangscontroles uitgevoerd door bewakingsagenten, al dan niet met behulp van elektronische middelen, mogen enkel worden uitgevoerd :

- bij wijze van steekproef ter voorkoming van diefstal en in dat geval moet de controlemogelijkheid be- staan voor alle betrokken werknemers zonder onderscheid; of

- indien er redelijke gronden zijn om te denken dat de werknemer goederen heeft ontvreemd, op basis van de gedragingen van de betrokkene, van materiële aanwijzingen of van de omstandigheden.

§ 4. De uitgangscontrole kan uitsluitend bestaan uit het nazicht van de door de gecontroleerde werknemer aan de bewakingsagent voorgelegde goederen, die hij op zich draagt of in zijn handbagage draagt en/of die zich in zijn of een door hem gebruikt voertuig bevinden.

§ 5. De uitgangscontrole mag enkel worden uitgevoerd door de bewakingsagent op goederen die relevant zijn in het licht van het wettelijk doel zoals omschreven in artikel 4.

c.a.o. 89/6. 30.01.2007

Commentaar

Artikel 6, § 1 laat systematische uitgangscontroles enkel toe indien zij uitsluitend gebeuren door middel van elektronische en/of technische detectiesystemen. De controle uitgevoerd door een bewakingsagent die achter een elektronische poort heeft plaatsgenomen moet voldoen aan een van de voorwaarden van artikel 6, § 3.

Artikel 6, § 3 beoogt de discriminatie tussen werknemers te voorkomen door te stellen dat bij een steekproefs- gewijze uitgangscontrole ter voorkoming van diefstal de controlemogelijkheid moet bestaan voor alle betrokken werknemers zonder onderscheid. Deze bepaling laat de mogelijkheid onverlet om, mits inachtneming hiervan, de werknemers van een bepaalde afdeling van de onderneming of op grond van de aard van het diefstalrisico in de onderneming, steekproefsgewijs te controleren op diefstal.

Afdeling III - Procedurevoorwaarden

1. Informatie

Artikel 7

§ 1. Voorafgaandelijk en bij het opstarten van een systeem van uitgangscontroles moet de werkgever de ondernemingsraad over het systeem informatie verschaffen, overeenkomstig de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 9 van 9 maart 1972 houdende ordening van de in de Nationale Arbeidsraad gesloten nationale akkoorden en collectieve arbeidsovereenkomsten betreffende de on- dernemingsraden.

Bij ontstentenis van een ondernemingsraad wordt deze informatie verschaft aan het comité voor pre- ventie en bescherming op het werk, of, bij ontstentenis daarvan, aan de vakbondsafvaardiging, of, bij ontstentenis daarvan, aan de werknemers.

§ 2. De informatie die krachtens dit artikel moet verschaft worden, heeft in ieder geval betrekking op :

- de perimeter van de onderneming of van de werkplaats;

- de diefstalrisico’s in de onderneming of op de werkplaats;

- de maatregelen om die risico’s te voorkomen of te verhelpen; en

- de controlemethodes.

Commentaar

De bij dit artikel bedoelde informatieverplichting heeft tot doel om de transparantie met betrekking tot uit- gangscontroles van werknemers te vergroten en een dialoog mogelijk te maken en zodoende de invoering ervan in een klimaat van vertrouwen te laten plaatsvinden.

c.a.o. 89/7. 30.01.2007

Dit impliceert dat de informatie die door de werkgever verschaft wordt, moet beantwoorden aan de kwali- teitsvereisten die gesteld worden aan de in het kader van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 9 van 9 maart 1972 voorziene inlichtingen en raadplegingsmethodes, meer bepaald in artikel 3 van die collectieve arbeidsovereenkomst. Dit mag er evenwel niet toe leiden dat de werkgever genoodzaakt is om alle gevoelige gegevens en technische details mee te delen.

De gegeven informatie kan bijvoorbeeld ook betrekking hebben op het nagestreefde doeleinde van de uit- gangscontroles en de gevolgen voor de werknemer van een vaststelling van de bewakingsagenten.

2. Toestemming

Artikel 8

§ 1. Een uitgangscontrole door een bewakingagent op basis van het feit dat er redelijke gronden zijn om te denken dat de werknemer goederen heeft ontvreemd kan enkel worden uitgevoerd indien de betrok- ken werknemer hiervoor zijn toestemming geeft.

§ 2. De toestemming van de werknemers betrokken bij steekproefsgewijze uitgangscontroles ter voorko- ming van diefstal moet blijken uit het opnemen in het verslag van de ondernemingsraad of het verslag van het comité voor preventie en bescherming op het werk dat de informatieverplichting beschreven in artikel 7 te goeder trouw werd nageleefd en dat daarover een gedachtewisseling heeft plaats gehad.

In ondernemingen waar er geen ondernemingsraad of comité voor preventie en bescherming op het werk aanwezig is, blijkt de toestemming van de werknemers uit de opname in het arbeidsreglement van het recht voor de werkgever om zo’n controles te laten uitvoeren, in overeenstemming met artikel
12 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen.

Het recht van de werkgever om steekproefsgewijze controles te laten uitvoeren kan bij ontstentenis van ondernemingsraad of comité voor preventie en bescherming op het werk ook blijken uit een op ondernemingsniveau afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst.

Commentaar

De informatie die te goeder trouw verschaft wordt, moet een reële inhoud hebben en het mag niet en- kel gaan om het louter formeel naleven van de procedure.

De opmerkingen en standpunten die de werknemersvertegenwoordigers hebben geformuleerd in het kader van de gedachtewisseling als bepaald in artikel 8 § 2, zullen op hun verzoek worden opgeno- men in het verslag dat de discussie weergeeft.

Dit verslag wordt opgemaakt in overeenstemming met het artikel 84 van het koninklijk besluit van 15 mei 2003 betreffende de ondernemingsraden en de comités voor preventie en bescherming op het werk en met respect voor de vertrouwelijkheid van de gegevens zoals bepaald in de commentaar bij artikel 7.

c.a.o. 89/8. 30.01.2007

3. Evaluatie

Artikel 9

De ondernemingsraad of, bij ontstentenis daarvan, het comité voor preventie en bescherming op het werk moet bovendien regelmatig de gehanteerde controlemethodes evalueren en voorstellen doen met het oog op herziening in functie van de technologische ontwikkelingen.

HOOFDSTUK IV : GEVOLGEN VAN DE NIET-NALEVING

Artikel 10

De werknemer mag alleen worden gecontroleerd krachtens de preventie- en controleprocedures inzake diefstal ingesteld overeenkomstig de beginselen die zijn opgenomen in deze overeenkomst of in de eruit voortvloeiende akkoorden die in de ondernemingen zijn gesloten.

Werkgevers die uitgangscontroles organiseren zonder naleving van de artikelen 7 en 8 van de onderhavige over- eenkomst worden geacht geen toestemming hiervoor in de zin van artikel 8, § 6 quater, derde lid, b) en c) van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid bekomen te hebben.

Vaststellingen die tegen de werknemer gebruikt kunnen worden moeten schriftelijk meegedeeld worden aan de werkgever en de werknemer moet hiervan een kopie kunnen ontvangen.

Commentaar

Voor de constateringen die de bewakingsagent overeenkomstig deze collectieve arbeidsovereenkomst doet en de eventuele gevolgen ervan voor de werknemer moet de noodzakelijke discretie in acht worden genomen.

HOOFDSTUK V : SLOTBEPALINGEN

Artikel 11

Deze overeenkomst is gesloten voor onbepaalde duur.

Zij kan op verzoek van de meest gerede ondertekenende partij worden herzien of opgezegd, met inachtneming van een opzeggingstermijn van 6 maanden.

De organisatie die het initiatief tot herziening of opzegging neemt, moet de redenen ervan aangeven en amende- mentsvoorstellen indienen; de andere organisaties verbinden er zich toe deze binnen een maand na ontvangst ervan in de Nationale Arbeidsraad te bespreken.

Gedaan te Brussel, op dertig januari tweeduizend en zeven.


c.a.o. 89/9. 30.01.2007

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License